U bevindt zich op: WMS /Wet medezeggenschap op scholen / Actuele tekst Wms

Tekst Wms met ingang van 1 januari 2017

Wet medezeggenschap op scholen

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Wet van 30 november 2006, houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot medezeggenschap op scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs (Wet medezeggenschap op scholen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 te vervangen door een nieuwe wet, aangezien het, in het belang van het goed functioneren van de school, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs, wenselijk is het overleg met en de vertegenwoordiging van het personeel en de ouders en leerlingen van de school te verbeteren mede in het licht van de vergroting van de autonomie van besturen van die scholen, dat het tevens wenselijk is de medezeggenschap bij centrale diensten als bedoeld in genoemde wetten en regionale expertisecentra als bedoeld in de Wet op de expertisecentra zoveel mogelijk dienovereenkomstig te regelen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

Deze wet verstaat onder:

·       a.«Onze Minister»: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het landbouwonderwijs, Onze Minister van Economische Zaken;

·       b.«school»: een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Experimentenwet onderwijs;

·       c.«centrale dienst»: een centrale dienst als bedoeld in artikel 68 van de Wet op het primair onderwijsartikel 69 van de Wet op de expertisecentra en artikel 53b van de Wet op het voortgezet onderwijs;

·       d.«samenwerkingsverband»: een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

·       e.«bevoegd gezag» voor wat betreft:

o   1.een school: het bevoegd gezag, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Experimentenwet onderwijs;

o   2.een centrale dienst: het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 68 van de Wet op het primair onderwijsartikel 69 van de Wet op de expertisecentra en artikel 53b van de Wet op het voortgezet onderwijs;

o   3.een samenwerkingsverband: het bestuur van een samenwerkingsverband;

·       f.«leerlingen»: leerlingen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs;

·       g.«ouders»: de ouders, voogden en verzorgers van de leerlingen;

·       h.«schoolleiding»: de directeur, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra en de rector, directeur of de leden van de centrale directie, bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, alsmede de conrectoren of de adjunct-directeuren;

·       i.personeel»: het personeel dat in dienst is dan wel ten minste 6 maanden te werk gesteld is zonder benoeming bij het bevoegd gezag en dat werkzaam is op de school, bij de centrale dienst, dan wel het samenwerkingsverband en personeel dat is benoemd of ten minste 6 maanden te werk gesteld zonder benoeming dat werkzaamheden verricht ten behoeve van meer dan een school;

·       j.«onderwijswet»: de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs;

·       k.«geleding»: de afzonderlijke groepen van leden, bedoeld in artikel 3, derde lid.

Artikel 2. Aard bepalingen

De bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, voor zover zij de scholen en de samenwerkingsverbanden betreffen, zijn regels voor het openbaar onderwijs en voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs.

Artikel 3. Medezeggenschapsraad

·       1Aan een school, een centrale dienst en een samenwerkingsverband is een medezeggenschapsraad verbonden.

·       2De medezeggenschapsraad van een school bestaat uit ten minste 4 en van een centrale dienst en een samenwerkingsverband uit ten minste 2 leden.

·       3De medezeggenschapsraad van een school bestaat uit:

o   a.leden die uit en door het personeel worden gekozen; en

o   b.leden die worden gekozen:

§  1°.uit en door de ouders, voor zover het betreft een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs;

§  2°.uit en door de ouders, dan wel deels uit en door de ouders en deels uit en door de leerlingen die de leeftijd van dertien jaar hebben bereikt, voor zover het betreft een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs;

§  3°.deels uit en door de ouders en deels uit en door de leerlingen, voor zover het betreft een school voor voortgezet onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een door Onze Minister aangewezen inrichting voor voortgezet onderwijs.

·       4De aantallen leden, bedoeld in het derde lid, onderdeel a en onderdeel b, zijn aan elkaar gelijk. Voor zover het betreft een school voor voortgezet onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een door Onze Minister aangewezen instelling voor voortgezet onderwijs zijn tevens de aantallen leden uit en door de ouders en uit en door de leerlingen aan elkaar gelijk. Indien niet aan de tweede volzin kan worden voldaan, omdat onvoldoende ouders dan wel leerlingen bereid zijn lid te worden, kan de niet door de desbetreffende groep te vervullen plaats worden toegedeeld aan de andere groep.

·       5De medezeggenschapsraad van een centrale dienst en van een samenwerkingsverband bestaat uit leden die uit en door het personeel worden gekozen.

·       6Indien het bevoegd gezag personeel heeft benoemd of te werk gesteld zonder benoeming dat werkzaamheden verricht ten behoeve van meer dan een school, kan een medezeggenschapsraad worden ingesteld die bestaat uit leden die uit en door dat personeel worden gekozen. De medezeggenschapsraad bestaat in dat geval uit ten minste 2 leden.

·       7Geen lid van de medezeggenschapsraad kunnen zijn degenen die deel uitmaken van het bevoegd gezag.

·       8Een personeelslid dat is opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen met de medezeggenschapsraad kan niet tevens lid zijn van de medezeggenschapsraad.

·       9Kandidaten voor de verkiezing van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door organisaties van personeel. Kandidaten voor de verkiezing van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders of de leerlingen wordt gekozen, kunnen worden gesteld door ouders of leerlingen en door organisaties van ouders of leerlingen.

·       10De verkiezing van de leden van de medezeggenschapsraad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming.

·       11Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de periode waarin de verkiezing van de leden van de medezeggenschapsraad plaatsvindt.

·       12Het bevoegd gezag draagt er zorg voor, dat de leden van de medezeggenschapsraad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de school, het samenwerkingsverband en de centrale dienst. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van kandidaatleden en voormalige leden.

·       13De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een lid van het personeel mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de medezeggenschapsraad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met dit lid is nietig.

Artikel 4. Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad

·       1Indien het bevoegd gezag meer dan een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, dan wel als bedoeld in de Wet op de expertisecentra dan wel als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs in stand houdt, stelt het bevoegd gezag een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad in voor de scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra respectievelijk de Wet op het voortgezet onderwijs. Het bevoegd gezag kan ten behoeve van scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra één gemeenschappelijke medezeggenschapsraad instellen, indien de instemming van twee derden van de leden van de desbetreffende medezeggenschapsraden is verkregen.

·       2In een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad is elke medezeggenschapsraad van de betrokken scholen vertegenwoordigd.

·       3De leden van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad worden gekozen door de leden van de desbetreffende afzonderlijke medezeggenschapsraden en wel zo dat het aantal leden, gekozen uit personeel onderscheidenlijk uit ouders of leerlingen, elk de helft van het aantal leden van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad bedraagt.

·       4Artikel 3, tweede, derde, vierde en zevende tot en met dertiende lid, is van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad.

Artikel 4a. Ondersteuningsplanraad

·       1Het samenwerkingsverband stelt naast de medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 3, vijfde lid, een ondersteuningsplanraad in.

·       2De leden van de ondersteuningsplanraad worden afgevaardigd door de leden van de afzonderlijke medezeggenschapsraden van de in artikel 18a, tweede lid van de Wet op het primair onderwijs, respectievelijk van de in artikel 17a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, bedoelde scholen en wel zo dat het aantal leden, gekozen uit personeel onderscheidenlijk uit ouders of leerlingen, elk de helft van het aantal leden van de raad bedraagt.

·       3Artikel 3, zevende, achtste, twaalfde en dertiende lid, is van overeenkomstige toepassing op de ondersteuningsplanraad.

Artikel 5. Voorzitter (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad en ondersteuningsplanraad

De medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad en de ondersteuningsplanraad kiezen uit hun midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad in rechte.

Hoofdstuk 2. Algemene bevoegdheden, taken, en informatierechten

Artikel 6. Algemene bevoegdheden medezeggenschapsraad en vertegenwoordiging bevoegd gezag

·       1Het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad komen bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door de medezeggenschapsraad, een geleding of het bevoegd gezag.

·       2De medezeggenschapsraad en een geleding zijn bevoegd tot bespreking van alle aangelegenheden, de school betreffende. De medezeggenschapsraad en een geleding zijn bevoegd over deze aangelegenheden aan het bevoegd gezag voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Het bevoegd gezag brengt op de voorstellen, bedoeld in de tweede volzin, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de medezeggenschapsraad respectievelijk de geleding. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het bevoegd gezag de medezeggenschapsraad respectievelijk de geleding ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen over de voorstellen, bedoeld in de tweede volzin.

·       3Indien twee derden van de leden van de medezeggenschapsraad en de meerderheid van elke geleding dat wensen, worden de besprekingen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, met de medezeggenschapsraad gevoerd door middel van overleg met elke geleding afzonderlijk.

·       4Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een persoonlijk belang van een van de leden van de medezeggenschapsraad in het geding is, kan de medezeggenschapsraad besluiten dat het betrokken lid aan die vergadering, of dat onderdeel daarvan, niet deelneemt. De medezeggenschapsraad besluit dan tevens dat de behandeling van de desbetreffende aangelegenheid in een besloten vergadering plaatsvindt.

·       5De besprekingen in de medezeggenschapsraad kunnen namens het bevoegd gezag worden gevoerd. Het bevoegd gezag kan een lid van de schoolleiding dan wel een personeelslid dat managementtaken verricht ten behoeve van meer dan een school opdragen de besprekingen met de medezeggenschapsraad dan wel bepaalde besprekingen met de medezeggenschapsraad namens hem te voeren. Op verzoek van het lid dat namens het bevoegd gezag het overleg voert of op verzoek van de medezeggenschapsraad kan het bevoegd gezag dit lid ontheffen van de taak om een bespreking namens het bevoegd gezag te voeren. Op verzoek van de medezeggenschapsraad voert het bevoegd gezag in bijzondere gevallen naast de gevallen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel e, zelf de besprekingen met de medezeggenschapsraad.

Artikel 7. Algemene taken medezeggenschapsraad

·       1De medezeggenschapsraad bevordert naar vermogen openheid en onderling overleg in de school.

·       2De medezeggenschapsraad waakt voorts in de school tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert gelijke behandeling in gelijke gevallen en in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtone werknemers.

·       3De medezeggenschapsraad doet aan alle bij de school betrokkenen schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en stelt de geledingen en de eventuele raden, bedoeld in artikel 20, in de gelegenheid om over aangelegenheden die de betrokken geleding of raden in het bijzonder aangaan, met hem overleg te voeren.

Artikel 8. Algemeen informatierecht medezeggenschapsraad

·       1De medezeggenschapsraad ontvangt van het bevoegd gezag, al dan niet gevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft.

·       2De medezeggenschapsraad ontvangt in elk geval:

o   a.jaarlijks de begroting en bijbehorende beleidsvoornemens op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied;

o   b.jaarlijks voor 1 mei informatie over de berekening die ten grondslag ligt aan de middelen uit 's Rijks kas die worden toegerekend aan het bevoegd gezag;

o   c.jaarlijks voor 1 juli een jaarverslag als bedoeld in artikel 171 van de Wet op het primair onderwijsartikel 157 van de Wet op de expertisecentra of de gegevens, bedoeld in artikel 106, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

o   d.de uitgangspunten die het bevoegd gezag hanteert bij de uitoefening van zijn bevoegdheden;

o   e.terstond informatie over elk oordeel van de klachtencommissie, bedoeld in artikel 14 van de Wet op het primair onderwijsartikel 23 van de Wet op de expertisecentra en artikel 24b van de Wet op het voortgezet onderwijs, waarbij de commissie een klacht gegrond heeft geoordeeld en over de eventuele maatregelen die het bevoegd gezag naar aanleiding van dat oordeel zal nemen, een en ander met inachtneming van de regelingen, bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, onderdeel m13, eerste lid, onderdeel i, en 14, tweede lid, onderdeel f en derde lid, onderdeel d;

o   f.ten minste eenmaal per jaar schriftelijk gegevens over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken per groep van de in de school werkzame personen en de leden van het bevoegd gezag;

o   g.ten minste eenmaal per jaar schriftelijk gegevens over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken met het orgaan van de rechtspersoon dat is belast met het toezicht op het bevoegd gezag;

o   h.aan het begin van het schooljaar schriftelijk de gegevens met betrekking tot de samenstelling van het bevoegd gezag, de organisatie binnen de school, het managementstatuut en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid;

o   i.jaarlijks na afloop van het schooljaar doch uiterlijk 1 oktober daaropvolgend gegevens over het aantal daadwerkelijk verzorgde uren van een op de school verzorgd onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 6g, zesde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 25 van de Wet op de expertisecentra.

·       3Het tweede lid, onderdeel f, is uitsluitend van toepassing op bevoegde gezagsorganen waarbij in de regel ten minste 100 personen werkzaam zijn. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt voor het bevoegd gezag van een school uitgegaan van alle scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra respectievelijk de Wet op het voortgezet onderwijs van dat bevoegd gezag.

·       4Ten aanzien van het tweede lid, onderdelen f en g wordt inzichtelijk gemaakt met welk percentage deze arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken zich verhouden tot elkaar en tot die van het voorafgaande jaar.

·       5Indien een groep van de in de school werkzame personen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel f, of het orgaan van de rechtspersoon, bedoeld in het tweede lid, onderdeel g, uit minder dan vijf personen bestaat, kunnen voor de toepassing van die onderdelen twee of meer functies worden samengevoegd, zodat een groep van ten minste vijf personen ontstaat.

·       6Indien het bevoegd gezag een voorstel voor advies of instemming voorlegt aan een geleding van de medezeggenschapsraad, wordt dat voorstel gelijktijdig ter kennisneming aan de andere geleding of geledingen aangeboden. Daarbij wordt tevens een overzicht verstrekt van de beweegredenen voor het voorstel, alsmede van de gevolgen die de uitwerking van het voorstel naar verwachting zal hebben voor het personeel, ouders en leerlingen en van de naar aanleiding daarvan genomen maatregelen.

Artikel 9. Van overeenkomstige toepassing verklaring van de artikelen 67 en 8

De artikelen 67 en 8 zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, met dien verstande dat het de algemene gang van zaken in alle scholen of de meerderheid van de scholen vallend onder dezelfde onderwijswet betreft, op de medezeggenschapsraad van een samenwerkingsverband, een centrale dienst en de medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 3, zesde lid, en op de ondersteuningsplanraad.

Hoofdstuk 3. Instemmings- en adviesbevoegdheden

Artikel 10. Instemmingsbevoegdheid medezeggenschapsraad

·       1Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot in ieder geval de volgende aangelegenheden:

o   a.verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school;

o   b.vaststelling of wijziging van het schoolplan dan wel het leerplan of de onderwijs- en examenregeling;

o   c.vaststelling of wijziging van een mogelijk schoolreglement;

o   d.vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het verrichten van ondersteunende werkzaamheden door ouders ten behoeve van de school en het onderwijs;

o   e.vaststelling of wijziging van regels op het gebied van het veiligheids-, gezondheids- en welzijnsbeleid, voor zover niet behorend tot de bevoegdheid van de personeelsgeleding;

o   f.de aanvaarding van materiële bijdragen of geldelijke bijdragen anders dan in artikel 13, eerste lid, onderdeel c, en artikel 14, tweede lid, onderdeel c, bedoeld en niet gebaseerd op de onderwijswetgeving indien het bevoegd gezag daarbij verplichtingen op zich neemt waarmee de leerlingen binnen de schooltijden respectievelijk het onderwijs en tijdens de activiteiten die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, alsmede tijdens het overblijven, zullen worden geconfronteerd;

o   g.de vaststelling of wijziging van de voor de school geldende klachtenregeling;

o   h.overdracht van de school of van een onderdeel daarvan, respectievelijk fusie van de school met een andere school, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake, waaronder begrepen de fusie-effectrapportage, bedoeld in artikel 64b van de Wet op het primair onderwijsartikel 66b van de Wet op de expertisecentra en artikel 53f van de Wet op het voortgezet onderwijs;

o   i.de verzelfstandiging van een nevenvestiging, of een deel van de school of nevenvestiging dat zich op een andere locatie bevindt dan de plaats van vestiging van die school of nevenvestiging op grond van artikel 84a van de Wet op het primair onderwijs;

o   j.vaststelling of wijziging van de data, bedoeld in artikel 17 van het Inrichtingsbesluit WVO.

·       2Voor het benoemen van een bestuurder wordt een sollicitatiecommissie ingesteld waarvan in elk geval deel uitmaken:

o   a.een lid dat afkomstig is uit of namens het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, en

o   b.een lid dat afkomstig is uit of namens het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders of de leerlingen is gekozen.

Artikel 11. Adviesbevoegdheid medezeggenschapsraad

·       1De medezeggenschapsraad wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot in ieder geval de volgende aangelegenheden:

o   a.vaststelling of wijziging van het lesrooster in het voortgezet onderwijs;

o   b.vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school, waaronder de voorgenomen bestemming van de middelen die door het bevoegd gezag ten behoeve van de school uit de openbare kas zijn toegekend of van anderen zijn ontvangen, met uitzondering van de middelen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel c, en artikel 14, tweede lid, onderdeel c;

o   c.beëindiging, belangrijke inkrimping, niet zijnde een verzelfstandiging als bedoeld in artikel 84a, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, of uitbreiding van de werkzaamheden van de school of van een belangrijk onderdeel daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;

o   d.het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking met een andere instelling, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;

o   e.deelneming of beëindiging van deelneming aan een onderwijskundig project of experiment, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;

o   f.vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de organisatie van de school;

o   g.vaststelling of wijziging van een regeling op het gebied van aanstellings- of ontslagbeleid voor zover die vaststelling of wijziging verband houdt met de grondslag van de school of de wijziging daarvan;

o   h.aanstelling of ontslag van de schoolleiding;

o   h1.aanstelling of ontslag van de leden van het bestuur;

o   i.vaststelling of wijziging van de concrete taakverdeling binnen de schoolleiding, alsmede vaststelling of wijziging van het managementstatuut;

o   j.vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de toelating en verwijdering van leerlingen;

o   k.vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de toelating van studenten die elders in opleiding zijn voor een functie in het onderwijs;

o   l.regeling van de vakantie;

o   m.het oprichten van een centrale dienst;

o   n.nieuwbouw of belangrijke verbouwing van de school;

o   o.vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het onderhoud van de school;

o   p.vaststelling of wijziging van de wijze waarop de voorziening, bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, wordt georganiseerd;

o   q.vaststelling van de competentieprofielen van de toezichthouders en het toezichthoudend orgaan, alsmede van de leden van het bestuur; en

o   r.vaststelling of wijziging van het schoolondersteuningsprofiel, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijsartikel 1 van de Wet op de expertisecentra en artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

·       2Het eerste lid, onderdeel q, is niet van toepassing op de medezeggenschapsraad van het samenwerkingsverband.

Artikel 11a. Adviesbevoegdheid ondersteuningsplanraad

De ondersteuningsplanraad wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over elk door het samenwerkingsverband te nemen besluit met betrekking tot in ieder geval de volgende aangelegenheden:

·       a.de vaststelling van de competentieprofielen van de toezichthouders en het toezichthoudend orgaan, alsmede van de leden van het bestuur van het samenwerkingsverband; en

·       b.aanstelling of ontslag van de leden van het bestuur van het samenwerkingsverband.

Artikel 12. Instemmingsbevoegdheid personeelsdeel medezeggenschapsraad

·       1Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:

o   a.regeling van de gevolgen voor het personeel van een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 10, onder i, of artikel 11, eerste lid, onder c, d, e en m;

o   b.vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie;

o   c.vaststelling of wijziging van regels met betrekking tot de nascholing van het personeel;

o   d.vaststelling of wijziging van een mogelijk werkreglement voor het personeel en van de opzet en de inrichting van het werkoverleg, voor zover het besluit van algemene gelding is voor alle of een gehele categorie van personeelsleden;

o   e.vaststelling of wijziging van de verlofregeling van het personeel;

o   f.vaststelling of wijziging van een arbeids- en rusttijdenregeling van het personeel;

o   g.vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de toekenning van salarissen, toelagen en gratificaties aan het personeel;

o   h.vaststelling of wijziging van de taakverdeling respectievelijk de taakbelasting binnen het personeel, de schoolleiding daaronder niet begrepen;

o   i.vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot personeelsbeoordeling, functiebeloning en functiedifferentiatie;

o   j.vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het overdragen van de bekostiging;

o   k.vaststelling of wijziging van een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden, het ziekteverzuim of het reïntegratiebeleid;

o   l.vaststelling of wijziging van een regeling op het gebied van het bedrijfsmaatschappelijk werk;

o   m.vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van het personeel;

o   n.vaststelling of wijziging van een regeling inzake voorzieningen die gericht zijn op of geschikt zijn voor waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of prestaties van het personeel;

o   o.vaststelling of wijziging van een regeling op het gebied van het bevorderingsbeleid of op het gebied van het aanstellings- en ontslagbeleid voor zover die vaststelling of wijziging geen verband houdt met de grondslag van de school of de wijziging daarvan;

o   p.vaststelling of wijziging van regels waarover partijen die een collectieve arbeidsovereenkomst hebben gesloten, zijn overeengekomen dat die regels of de wijziging daarvan in het overleg tussen bevoegd gezag en het personeelsdeel van de medezeggenschapsraad tot stand wordt gebracht;

o   q.vaststelling of wijziging van de regeling, bedoeld in artikel 28, voor zover die betrekking heeft op personeel;

o   r.vaststelling of wijziging van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de dagen, bedoeld in artikel 10, onderdeel j.

·       2Het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs dat tevens bevoegd gezag is van een of meer basisscholen behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel van eerstgenoemde school is gekozen voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot de inzet van de bekostiging die op grond van artikel 120, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs aan eerstgenoemde school is toegekend.

Artikel 13. Instemmingsbevoegdheid ouders/leerlingendeel medezeggenschapsraad bij een school als bedoeld in de WPO en de WEC, met uitzondering van scholen voor voortgezet speciaal onderwijs

·       1Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra, met uitzondering van scholen voor voortgezet speciaal onderwijs, behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders of de leerlingen is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:

o   a.regeling van de gevolgen voor de ouders of leerlingen van een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 10, onder i, of artikel 11, eerste lid, onder c, d, e en m;

o   b.verandering van de grondslag van de school of omzetting van de school of van een onderdeel daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;

o   c.de vaststelling of wijziging van de hoogte en de vaststelling of wijziging van de bestemming van de middelen die van de ouders of de leerlingen worden gevraagd zonder dat daartoe een wettelijke verplichting bestaat onderscheidenlijk zijn ontvangen op grond van een overeenkomst die door de ouders is aangegaan;

o   d.vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van de leerlingen;

o   e.vaststelling of wijziging van een mogelijk ouder- of leerlingenstatuut;

o   f.de wijze waarop invulling wordt gegeven aan tussenschoolse opvang;

o   g.vaststelling van de schoolgids;

o   h.vaststelling van de onderwijstijd voor zover het geen voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra betreft;

o   i.vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van ouders en leerlingen;

o   j.vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot activiteiten die buiten de voor de school geldende onderwijstijd worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag;

o   k.vaststelling of wijziging van het beleid ten aanzien van de uitwisseling van informatie tussen bevoegd gezag en ouders.

·       2Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, met uitzondering van scholen voor voortgezet speciaal onderwijs, behoeft, ten aanzien van voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, voorafgaand aan instemming met betrekking tot de vaststelling van de gehele schoolgids als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, afzonderlijk instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders en de leerlingen is gekozen voor het in die schoolgids opgenomen onderdeel met betrekking tot de jaarlijkse vaststelling van het totaal aantal uren en het soort activiteiten dat als onderwijstijd als bedoeld in artikel 6g, eerste tot en met vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel artikel 25, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra wordt geprogrammeerd alsmede voor het onderdeel met betrekking tot het beleid ten aanzien van lesuitval als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Wet op de expertisecentra.

Artikel 14. Instemmingsbevoegdheid ouders/leerlingendeel medezeggenschapsraad bij een school als bedoeld in de WVO of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de WEC

·       1Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs en van een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders en de leerlingen is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:

o   a.de vaststelling van de schoolgids;

o   b.vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot activiteiten die buiten de voor de school geldende onderwijstijd worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.

·       2Het bevoegd gezag behoeft tevens de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:

o   a.regeling van de gevolgen voor de ouders van een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder c, d, e en m;

o   b.verandering van de grondslag van de school of omzetting van de school of van een onderdeel daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;

o   c.de vaststelling of wijziging van de hoogte en de vaststelling of wijziging van de bestemming van de middelen die van de ouders of de leerlingen worden gevraagd zonder dat daartoe een wettelijke verplichting bestaat onderscheidenlijk zijn ontvangen op grond van een overeenkomst die door de ouders is aangegaan;

o   d.de vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het beheersbaar houden van de middelen die van de ouders of de leerlingen worden gevraagd voor schoolkosten, met uitzondering van lesmateriaal als bedoeld in artikel 6e, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, die door het bevoegd gezag noodzakelijk worden bevonden;

o   e.vaststelling of wijziging van een mogelijk ouderstatuut;

o   f.vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van ouders;

o   g.vaststelling of wijziging van het beleid ten aanzien van de uitwisseling van informatie tussen bevoegd gezag en ouders.

·       3Het bevoegd gezag behoeft tevens de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de leerlingen is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:

o   a.regeling van de gevolgen voor de leerlingen van een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder c, d, e en m;

o   b.vaststelling of wijziging van het leerlingenstatuut, bedoeld in artikel 24g van de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel een mogelijk leerlingenstatuut anders dan bedoeld in artikel 24g van de Wet op het voortgezet onderwijs;

o   c.vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van de leerlingen;

o   d.vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van leerlingen;

o   e.vaststelling of wijziging van het leerlingenparticipatiebeleid, bedoeld in artikel 24a, eerste lid, onderdeel ia, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

·       4Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs en van een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra behoeft voorafgaand aan instemming met betrekking tot de vaststelling van de gehele schoolgids als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, afzonderlijk instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders en de leerlingen is gekozen voor het in die schoolgids opgenomen onderdeel met betrekking tot de jaarlijkse vaststelling van het totaal aantal uren en het soort activiteiten dat als onderwijstijd als bedoeld in artikel 6g, eerste tot en met vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel artikel 25, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra wordt geprogrammeerd alsmede voor het onderdeel met betrekking tot het beleid ten aanzien van lesuitval als bedoeld in artikel 24a, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de Wet op het voortgezet onderwijs onderscheidenlijk artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Wet op de expertisecentra.

Artikel 14a. Instemmingsbevoegdheid ondersteuningsplanraad

Het samenwerkingsverband behoeft de voorafgaande instemming van de ondersteuningsplanraad voor elk door het samenwerkingsverband te nemen besluit met betrekking tot vaststelling of wijziging van het ondersteuningsplan, bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs, respectievelijk artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 15. Tenuitvoerlegging bepaalde besluiten

·       1Een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder c, d, e en m, wordt niet ten uitvoer gelegd voordat een definitief besluit is genomen over de regeling van de gevolgen van dat besluit voor het personeel, dan wel voor de ouders of leerlingen, tenzij dringende redenen in het belang van de school een eerdere tenuitvoerlegging noodzakelijk maken.

·       2Een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, wordt niet genomen dan na afweging van in elk geval de onderwijskundige, de personele en de materiële belangen van de school, welke afweging schriftelijk in de motivering van het besluit tot uitdrukking wordt gebracht.

·       3Een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel p, en 13, onderdeel h, wordt niet genomen dan na raadpleging van de ouders.

Artikel 16. Bevoegdheden (geledingen) gemeenschappelijke medezeggenschapsraad

·       1De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad treedt, indien het aangelegenheden betreft die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle scholen of voor de meerderheid van de scholen, in de plaats van de medezeggenschapsraad van die scholen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de onderscheiden geledingen van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad indien het bevoegdheden van een geleding van de medezeggenschapsraad betreft.

·       2De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad wordt tevens vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot:

o   a.vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de desbetreffende scholen, waaronder de voorgenomen bestemming van de middelen die aan het bevoegd gezag ten behoeve van elk van de scholen uit de openbare kas zijn toegerekend of van anderen zijn ontvangen;

o   b.de criteria die worden toegepast bij de verdeling van deze middelen over voorzieningen op bovenschools niveau en op schoolniveau;

o   c.de aanstelling of het ontslag van personeel dat is belast met managementtaken ten behoeve van meer dan een school.

·       3Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie van personeel dat is benoemd of te werk gesteld zonder benoeming dat werkzaamheden verricht ten behoeve van meer dan een school.

Artikel 17. Adviesaanvrage

Indien een te nemen besluit ingevolge artikel 11, dan wel op grond van het medezeggenschapsreglement krachtens artikel 24, tweede en derde lid, vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de medezeggenschapsraad, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat:

·       a.advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip, dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming;

·       b.de medezeggenschapsraad in de gelegenheid wordt gesteld met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht;

·       c.de medezeggenschapsraad zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis wordt gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven; en

·       d.de medezeggenschapsraad, indien het bevoegd gezag het advies niet of niet geheel wil volgen, in de gelegenheid wordt gesteld nader overleg met hem te voeren alvorens het besluit definitief wordt genomen.

Artikel 18. Nadere regels bijzondere bevoegdheden

·       1De bevoegdheden op grond van de artikelen 10 tot en met 14, dan wel op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement krachtens artikel 24, tweede en derde lid, zijn niet van toepassing, voor zover:

o   a.de desbetreffende aangelegenheid voor de school reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens wet gegeven voorschrift;

o   b.het betreft een aangelegenheid als bedoeld in artikel 38 van de Wet op het primair onderwijsartikel 38 van de Wet op de expertisecentra en artikel 40a van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor zover het in deze artikelen bedoelde overleg niet besluit de aangelegenheid ter behandeling aan het personeelsdeel van de medezeggenschapsraad over te laten.

·       2De bevoegdheden van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, zijn niet van toepassing, voor zover de desbetreffende aangelegenheid voor de school reeds inhoudelijk is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst.

Artikel 19. Overeenkomstige toepassing t.a.v. GMR

De artikelen 1517 en 18 zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad.

Hoofdstuk 4. Organisatie medezeggenschap

Artikel 20. Specifieke inrichting medezeggenschapsstructuur

·       1Op verzoek van de medezeggenschapsraad en met instemming van het bevoegd gezag kan met instemming van twee derden van de leden van de medezeggenschapsraad een deelraad worden verbonden aan een deel van een school. De deelraad treedt in dat geval in de bevoegdheden van de medezeggenschapsraad voor zover uitoefening van die bevoegdheden geen betrekking heeft op een ander deel van de school.

·       2Op verzoek van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad en met instemming van het bevoegd gezag kan met instemming van twee derden van de leden van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad een groepsmedezeggenschapsraad worden verbonden aan een groep van scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs afzonderlijk. De groepsmedezeggenschapsraad treedt in dat geval in de bevoegdheden van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, behoudens de bevoegdheden, bedoeld in artikel 16, tweede en derde lid.

·       3De artikelen 323 en 24 zijn van overeenkomstige toepassing op de deelraad, bedoeld in het eerste lid, en de groepsmedezeggenschapsraad, bedoeld in het tweede lid.

·       4De medezeggenschapsraad en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad kunnen met instemming van het bevoegd gezag en met instemming van twee derden van de leden van de medezeggenschapsraad of de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad voor een of meer van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 10 en artikel 11 dan wel artikel 16, een themaraad instellen.

·       5Indien van elk bevoegd gezag van scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, of de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs de gemeenschappelijke medezeggenschapsraden dan wel bij het ontbreken van een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad alle medezeggenschapsraden, daarmee instemmen kan een bovenbestuurlijke medezeggenschapsraad worden ingesteld.

Artikel 21. Medezeggenschapsstatuut

·       1Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, ten minste eenmaal in de twee jaar een medezeggenschapsstatuut vast.

·       2Het bevoegd gezag legt het medezeggenschapsstatuut, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorstel aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad of bij het ontbreken daarvan aan de medezeggenschapsraad voor en stelt het slechts vast indien het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad of bij het ontbreken van een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad van de medezeggenschapsraad heeft verworven.

Artikel 22. Inhoud medezeggenschapsstatuut

In het medezeggenschapsstatuut wordt in ieder geval geregeld:

·       a.de wijze waarop gebruik is gemaakt van artikel 20 en de bevoegdheden van de themaraden;

·       b.de samenstelling van de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad en de raden, bedoeld in artikel 20;

·       c.de wijze waarop en de termijnen waarbinnen aan de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de geledingen dan wel de raden, bedoeld in artikel 20, informatie beschikbaar wordt gesteld, die noodzakelijk is voor het uitoefenen van de medezeggenschap;

·       d.de wijze waarop de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de geledingen dan wel de raden, bedoeld in artikel 20, elkaar en de geledingen waaruit zij zijn gekozen informatie verstrekken over hun activiteiten;

·       e.de wijze waarop met inachtneming van artikel 28 invulling wordt gegeven aan de beschikbaarstelling van faciliteiten aan ouders, leerlingen en personeel, die deelnemen in de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de geledingen dan wel de raden, bedoeld in artikel 20;

·       f.indien besprekingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, namens het bevoegd gezag worden gevoerd, in welke gevallen en door wie dat geschiedt en in welke gevallen die persoon op zijn verzoek van die taak wordt ontheven.

Artikel 23. Medezeggenschapsreglement

·       1Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, een medezeggenschapsreglement voor de medezeggenschapsraad en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad vast.

·       2Het bevoegd gezag stelt het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, slechts vast voor zover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de medezeggenschapsraad onderscheidenlijk van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad heeft verworven. Indien het een omzetting dan wel een overdracht als bedoeld in artikel 24, tweede lid betreft, behoeft dat deel van het reglement tevens de instemming van de geleding die de bevoegdheden omzet dan wel overdraagt.

Artikel 24. Inhoud medezeggenschapsreglement medezeggenschapsraad

·       1In het reglement wordt in ieder geval geregeld:

o   a.het aantal leden van de medezeggenschapsraad;

o   b.de wijze waarop aan de desbetreffende scholen toepassing wordt gegeven aan artikel 3, derde lid, onderdeel b, sub 2°;

o   c.de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de medezeggenschapsraad;

o   d.de zittingsduur van de leden van de medezeggenschapsraad;

o   e.indien een lid van de schoolleiding dan wel een personeelslid dat is benoemd of te werk gesteld en is belast met managementtaken ten behoeve van meer dan een school is opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen met de medezeggenschapsraad, in welke gevallen op verzoek van de medezeggenschapsraad het bevoegd gezag zelf deze besprekingen met de raad voert;

o   f.de wijze waarop het bevoegd gezag informatie verschaft aan de medezeggenschapsraad;

o   g.de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming dient te worden besloten, en de termijnen binnen welke advies dient te worden uitgebracht;

o   h.de bevoegdheden van de medezeggenschapsraad die aan de themaraad worden overgedragen dan wel de bevoegdheden van de medezeggenschapsraad waarin de deelraad treedt;

o   i.in welke gevallen en op welke wijze de medezeggenschapsraad alle bij de school betrokkenen betrekt bij de werkzaamheden van de medezeggenschapsraad;

o   j.in welke gevallen geheimhouding wordt betracht;

o   k.de procedure voor de beslechting van die geschillen tussen het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet.

·       2Indien de medezeggenschapsraad een aan de raad toekomende adviesbevoegdheid wenst om te zetten in een instemmingsbevoegdheid, dan wel een instemmingsbevoegdheid in een adviesbevoegdheid, of een geleding een aan die geleding toekomende instemmingsbevoegdheid wenst om te zetten in een adviesbevoegdheid, respectievelijk een geleding een aan die geleding toekomende bevoegdheid wenst over te dragen aan de medezeggenschapsraad, wordt die omzetting respectievelijk die overdracht in het reglement geregeld. Voor een omzetting en een overdracht als bedoeld in de eerste volzin is de instemming van het bevoegd gezag vereist.

·       3In het reglement kan tevens worden geregeld dat door het bevoegd gezag te nemen besluiten met betrekking tot nader in het reglement te omschrijven aangelegenheden die niet reeds in de wet worden genoemd, instemming dan wel advies behoeven als bedoeld in de artikelen 10111213 of 14.

·       4In het reglement kan voorts worden geregeld:

o   a.de voorwaarde dat leerlingen, die tot de school zijn toegelaten met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijsartikel 60, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 48, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, alsmede hun ouders, slechts kandidaat kunnen worden gesteld voor verkiezing tot lid van de medezeggenschapsraad, indien zij hebben verklaard de grondslag en de doelstellingen van de school te respecteren;

o   b.over welke aangelegenheden op grond van artikel 6, derde lid, wordt overlegd met elk van de geledingen afzonderlijk.

·       5De voorwaarde, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, kan slechts worden toegepast, indien zij door of namens het bevoegd gezag voorafgaand aan de toelating aan de betrokkenen bekend is gemaakt.

Artikel 25. Geldigheidsduur bovenbestuurlijke medezeggenschapsraad en bijzondere bevoegdheden ingevolge toepassing artikel 24, tweede en derde lid

·       1De geldigheidsduur van de instelling van een bovenbestuurlijke gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 20, vijfde lid, bedraagt ten hoogste twee jaren. De in de eerste volzin bedoelde termijn kan telkens met ten hoogste twee jaren worden verlengd indien alle gemeenschappelijke medezeggenschapsraden daarmee instemmen dan wel bij ontbreken van een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad alle medezeggenschapsraden.

·       2De geldigheidsduur van advies- en instemmingsbevoegdheden die ingevolge de toepassing van artikel 24, tweede en derde lid, in het medezeggenschapsreglement zijn opgenomen, bedraagt ten hoogste twee jaren. De in de eerste volzin bedoelde termijn kan telkens worden verlengd met ten hoogste twee jaren, indien ten minste twee derden van het aantal leden van de medezeggenschapsraad daartoe besluiten ten aanzien van alle of een aantal van de in de eerste volzin bedoelde bevoegdheden.

Artikel 26. Reglement gemeenschappelijke medezeggenschapsraad

De artikelen 23 en 24 zijn van overeenkomstige toepassing op het reglement van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad.

Artikel 27. Mogelijkheid regeling voor specifieke gevallen

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld voor specifieke situaties bij een categorie van scholen. De voordracht voor een krachtens de eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 28. Faciliteiten

·       1Het bevoegd gezag staat de medezeggenschapsraad het gebruik toe van de voorzieningen waarover het kan beschikken en die de medezeggenschapsraad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.

·       2De kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de medezeggenschapsraad, scholingskosten daaronder begrepen, komen ten laste van het bevoegd gezag. De redelijkerwijs noodzakelijke kosten van het raadplegen van een deskundige en van het voeren van rechtsgedingen door de medezeggenschapsraad komen slechts ten laste van het bevoegd gezag indien het bevoegd gezag vooraf in kennis is gesteld van de te maken kosten. Het bevoegd gezag kan in overeenstemming met de medezeggenschapsraad de kosten die de medezeggenschapsraad in enig jaar zal maken, vaststellen op een bepaald bedrag dat de medezeggenschapsraad naar eigen inzicht kan besteden. Kosten waardoor het hier bedoelde bedrag zou worden overschreden, komen slechts ten laste van het bevoegd gezag voor zover dat bevoegd gezag in het dragen daarvan toestemt.

·       3Het bevoegd gezag treft een regeling voor de leden van de medezeggenschapsraad afkomstig uit het personeel voor faciliteiten in tijd ten behoeve van het voeren van overleg, scholing en overige medezeggenschapsactiviteiten. De in de eerste volzin bedoelde faciliteiten worden vastgesteld op een zodanige omvang als redelijkerwijs noodzakelijk is voor de taakvervulling door de leden van de medezeggenschapsraad.

·       4Het bevoegd gezag kan een vacatievergoeding toekennen aan ouders en leerlingen die lid zijn van de medezeggenschapsraad.

·       5Tevens kan het bevoegd gezag bijdragen in de kosten voor administratieve ondersteuning van de medezeggenschapsraad.

·       6Het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de leden van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad en van een raad als bedoeld in artikel 20.

Artikel 29. Afwijking in verband met eigen aard

·       1Op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging die aan de school ten grondslag ligt, kan het bevoegd gezag in het medezeggenschapsreglement in afwijking van artikel 24, tweede lid, een aan de medezeggenschapsraad of een geleding toekomend instemmingsrecht omzetten in een adviesrecht dan wel een aan een geleding toekomend instemmingsrecht overdragen aan de medezeggenschapsraad dan wel een aan de leerlinggeleding toekomend instemmingsrecht overdragen aan de oudergeleding dan wel een aan de gezamenlijke ouder- en leerlinggeleding toekomend instemmingsrecht, omzetten in een instemmingsrecht voor de oudergeleding en een adviesrecht voor de leerlinggeleding. In afwijking van de artikelen 21 en 23 stelt het bevoegd gezag in dat geval het medezeggenschapsstatuut, respectievelijk het medezeggenschapsreglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, slechts vast nadat het hierover advies heeft ontvangen van de medezeggenschapsraad onderscheidenlijk van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad. Het bevoegd gezag kan slechts toepassing geven aan de eerste volzin indien een meerderheid van twee derden zowel van het personeel van de school als van de ouders en leerlingen dat ondersteunt.

·       2De mogelijkheid tot afwijking, bedoeld in het eerste lid, komt te vervallen indien de gronden waarop zij berustte niet langer aanwezig zijn dan wel indien zij niet langer worden ondersteund door een meerderheid van twee derden van elk van de in het eerste lid bedoelde categorieën.

·       3Het bevoegd gezag toetst elke vijf jaar de stand van zaken met betrekking tot de gronden van de afwijking en de ondersteuning ervan.

Artikel 29a. Bepalingen van overeenkomstige toepassing op ondersteuningsplanraad

De artikelen 21222324, eerste lid28 en 29 zijn van overeenkomstige toepassing op de ondersteuningsplanraad, met dien verstande dat artikel 29 van toepassing is indien ten minste tweederde van het aantal scholen in het samenwerkingsverband gebruik maakt van de in dat artikel genoemde mogelijkheid.

Hoofdstuk 5. Regeling geschillen

Artikel 30. Commissie voor geschillen

·       1Er is een landelijke commissie voor geschillen waarbij elke school, samenwerkingsverband en centrale dienst is aangesloten. Tot voorzitter en tot plaatsvervangend voorzitter kunnen alleen personen worden benoemd die voldoen aan de bij of krachtens artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren gestelde vereisten om te kunnen worden benoemd tot rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast.

·       2De commissie bestaat uit 3 leden en ten minste 3 plaatsvervangende leden, van wie een lid en diens plaatsvervangers worden benoemd op bindende voordracht van de landelijke besturenorganisaties en een lid en diens plaatsvervangers op bindende voordracht van landelijke personeels- vakonderscheidenlijk ouder- of leerlingenorganisaties. De leden doen een bindende voordracht voor de benoeming van het derde lid, tevens voorzitter en diens plaatsvervangers. Het aantal plaatsvervangers van elk lid en van de voorzitter is aan elkaar gelijk. De benoeming geschiedt door Onze Minister.

·       3De leden en de plaatsvervangende leden mogen niet deel uitmaken van het bevoegd gezag of van de medezeggenschapsraad van een school, samenwerkingsverband en centrale dienst.

Artikel 31. Competentie commissie

·       1De commissie neemt kennis van de geschillen, bedoeld in de artikelen 323334 en 35.

·       2De commissie is in geval van een geschil als bedoeld in het eerste lid bevoegd een bemiddelingsvoorstel voor te leggen aan het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad, tenzij het bevoegd gezag of de medezeggenschapsraad te kennen geven daarop geen prijs te stellen.

·       3Uitspraken van de commissie in geschillen als bedoeld in het eerste lid, waaronder begrepen bemiddelingsvoorstellen waarover overeenstemming is bereikt, zijn bindend voor het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad.

·       4De bepalingen van de derde afdeling van de vijfde titel van het tweede boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in geval van een geschil als bedoeld in artikel 35 een dwangsom uitsluitend kan worden opgelegd aan het bevoegd gezag.

Artikel 32. Geschillen instemmingsbevoegdheid

·       1Indien de medezeggenschapsraad aan een besluit van het bevoegd gezag de instemming onthoudt die is vereist ingevolge de artikelen 101213 en 14 dan wel ingevolge de toepassing van artikel 24, tweede en derde lid, kan het bevoegd gezag de commissie binnen zes weken na de onthouding van de instemming toestemming vragen om het besluit te nemen. De commissie geeft slechts toestemming indien de medezeggenschapsraad niet in redelijkheid tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen of indien sprake is van zwaarwegende omstandigheden die het te nemen besluit van het bevoegd gezag rechtvaardigen.

·       2Het bevoegd gezag vraagt toestemming als bedoeld in het eerste lid onder overlegging van de door het bevoegd gezag gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor het bevoegd gezag onderscheidenlijk de medezeggenschapsraad aan de orde zijn. De commissie stelt de medezeggenschapsraad in de gelegenheid, zijn argumenten voor het onthouden van zijn instemming bij de commissie naar voren te brengen.

·       3Een besluit als bedoeld in het eerste lid dat is genomen zonder de instemming van de medezeggenschapsraad of zonder de toestemming van de commissie, is nietig indien de medezeggenschapsraad tegenover het bevoegd gezag schriftelijk een beroep op de nietigheid heeft gedaan. De medezeggenschapsraad kan een beroep op de nietigheid slechts doen binnen zes weken nadat het bevoegd gezag zijn besluit heeft genomen. Bij gebreke van een kennisgeving aan de medezeggenschapsraad van een door het bevoegd gezag genomen besluit gaat de termijn van zes weken pas in op het moment dat de medezeggenschapsraad is gebleken dat het bevoegd gezag uitvoering of toepassing geeft aan het besluit.

·       4De medezeggenschapsraad kan de commissie verzoeken aan het bevoegd gezag de plicht op te leggen, zich te onthouden van handelingen die strekken tot uitvoering of toepassing van een nietig besluit als bedoeld in het derde lid. Het bevoegd gezag kan de commissie verzoeken te verklaren dat de medezeggenschapsraad ten onrechte een beroep heeft gedaan op nietigheid als bedoeld in het derde lid.

Artikel 33. Geschillen inhoud medezeggenschapsreglement en medezeggenschapsstatuut

·       1Indien de medezeggenschapsraad het bevoegd gezag de instemming voor vaststelling of wijziging van het medezeggenschapsstatuut, of van het medezeggenschapsreglement, voor wat betreft onderwerpen als bedoeld in artikel 24, eerste, derde en vierde lid, onthoudt, kan het bevoegd gezag de commissie binnen zes weken na de onthouding van de instemming toestemming vragen het statuut of reglement vast te stellen of te wijzigen. De commissie geeft toestemming, tenzij het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen.

·       2De commissie geeft voor zover zij van oordeel is dat het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen, in haar uitspraak aan hoe het voorstel dient te worden gewijzigd. Na de uitspraak van de commissie stelt het bevoegd gezag het medezeggenschapsreglement dan wel het medezeggenschapsstatuut vast overeenkomstig de uitspraak van de commissie.

·       3Op het vragen van toestemming als bedoeld in het eerste lid is artikel 32, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

·       4Een vaststelling of wijziging als bedoeld in het eerste lid, gedaan zonder de instemming door de medezeggenschapsraad of zonder de toestemming van de commissie, is nietig indien de medezeggenschapsraad tegenover het bevoegd gezag schriftelijk een beroep op de nietigheid heeft gedaan. De medezeggenschapsraad kan een beroep op de nietigheid slechts doen binnen zes weken nadat het bevoegd gezag zijn vaststelling of wijziging heeft gedaan. Bij gebreke van kennisgeving van een vaststelling of wijziging aan de medezeggenschapsraad gaat de termijn van zes weken pas in op het moment dat de medezeggenschapsraad is gebleken dat het bevoegd gezag uitvoering of toepassing geeft aan het besluit.

·       5De medezeggenschapsraad kan de commissie verzoeken het bevoegd gezag te verplichten zich te onthouden van handelingen die strekken tot uitvoering of toepassing van een nietig besluit als bedoeld in het vierde lid. Het bevoegd gezag kan de commissie verzoeken te verklaren dat de medezeggenschapsraad ten onrechte een beroep heeft gedaan op nietigheid als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 34. Geschillen adviesbevoegdheid

·       1Indien het bevoegd gezag een besluit neemt waarbij het een advies van de medezeggenschapsraad, vereist ingevolge artikel 11, dan wel ingevolge de toepassing van artikel 24, tweede en derde lid, niet of niet geheel volgt, wordt de uitvoering van het besluit opgeschort met zes weken, tenzij de medezeggenschapsraad tegen onmiddellijke uitvoering van het besluit geen bedenkingen heeft.

·       2De medezeggenschapsraad kan in het geval, bedoeld in het eerste lid, een geschil voorleggen aan de commissie binnen zes weken nadat het betrokken besluit door het bevoegd gezag is genomen.

·       3De medezeggenschapsraad kan in het geval waarin het bevoegd gezag ten onrechte geen advies heeft gevraagd, binnen zes weken nadat is gebleken dat het bevoegd gezag uitvoering of toepassing geeft aan dat besluit een geschil voorleggen aan de commissie. De medezeggenschapsraad verstrekt daarbij het advies dat zou zijn gegeven indien advies zou zijn gevraagd. Voor de behandeling van het geschil geldt dit advies als niet of niet geheel gevolgd. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

·       4Het voorleggen van een geschil als bedoeld in het tweede of derde lid geschiedt onder overlegging van de argumenten voor het advies en de argumenten voor het oordeel dat door het niet of niet geheel volgen van het advies de belangen van de school of van de medezeggenschapsraad ernstig worden geschaad. De commissie stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid, zijn argumenten voor het niet of niet geheel volgen van het advies bij de commissie naar voren te brengen. De behandeling van het verzoek verlengt de opschorting, bedoeld in het eerste lid, niet.

·       5De commissie beoordeelt of het bevoegd gezag bij niet of niet geheel volgen van het advies van de medezeggenschapsraad bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen.

·       6De commissie doet vervolgens de uitspraak of het betrokken besluit al dan niet in stand kan blijven. De commissie is daarbij bevoegd, indien de medezeggenschapsraad daarom heeft verzocht, een of meer van de volgende voorzieningen te treffen:

o   a.het opleggen van de verplichting aan het bevoegd gezag om aan te wijzen gevolgen van dat besluit ongedaan te maken;

o   b.het opleggen van een verplichting aan het bevoegd gezag tot nalaten om handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van het besluit of van onderdelen daarvan.

Artikel 35. Geschil naleving WMS en onderwijswetten

·       1De medezeggenschapsraad kan aan de commissie een geschil voorleggen inzake naleving door het bevoegd gezag van de bij of krachtens deze wet of een onderwijswet geldende verplichtingen jegens de medezeggenschapsraad.

·       2Het bevoegd gezag kan aan de commissie een geschil voorleggen inzake naleving door de medezeggenschapsraad van de bij of krachtens deze wet of een onderwijswet geldende verplichtingen jegens het bevoegd gezag.

·       3De commissie kan in haar uitspraak aan de medezeggenschapsraad onderscheidenlijk het bevoegd gezag de verplichting opleggen om bepaalde handelingen te verrichten of na te laten. Wanneer de medezeggenschapsraad een zodanige verplichting niet nakomt, kan de commissie de medezeggenschapsraad ontbinden, onder oplegging aan het bevoegd gezag van de verplichting tot het doen verkiezen van een nieuwe medezeggenschapsraad dan wel, na toepassing van artikel 37, onder oplegging aan het samenwerkingsverband van de verplichting tot het doen afvaardigen van een nieuwe ondersteuningsplanraad.

Artikel 35a. Executoriale titel

·       1De tenuitvoerlegging van een uitspraak van de commissie waaraan een dwangsom als bedoeld in artikel 31, vierde lid, is verbonden kan plaatsvinden nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin het bevoegd gezag is gevestigd, ter griffie van welke rechtbank het origineel van de uitspraak is neergelegd, daartoe op verzoek van de medezeggenschapsraad verlof heeft verleend.

·       2Neerleggen ter griffie als bedoeld in het eerste lid vindt plaats door de commissie na een schriftelijk verzoek van de medezeggenschapsraad daartoe. Het verzoek van de medezeggenschapsraad tot neerleggen ter griffie vindt plaats uiterlijk twee jaar na de datum waarop de uitspraak door de commissie is gedaan.

·       3Het verlof, bedoeld in het eerste lid, wordt aangetekend op het origineel van de uitspraak. De griffier zendt ten spoedigste aan de partijen een gewaarmerkt afschrift van de uitspraak met het daarop aangetekend verlof tot tenuitvoerlegging.

·       4Verlof als bedoeld in het eerste lid, kan eerst worden verleend nadat de op grond van artikel 36, tweede lid, geldende termijn voor hoger beroep ongebruikt is verstreken, dan wel eerder indien schriftelijk van hoger beroep afstand is gedaan.

·       5De voorzieningenrechter van de rechtbank kan de tenuitvoerlegging van de uitspraak slechts weigeren indien hem na summierlijk onderzoek is gebleken dat de uitspraak of de wijze waarop die tot stand is gekomen kennelijk in strijd is met de openbare orde of dat de aan de uitspraak verbonden dwangsom is opgelegd in strijd met artikel 31, vierde lid, of de bepalingen van de derde afdeling van de vijfde titel van het tweede boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In dit laatste geval betreft de weigering alleen de tenuitvoerlegging van de dwangsom.

Artikel 36. Beroep

·       1De medezeggenschapsraad dan wel het bevoegd gezag kan bij de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam beroep instellen tegen een uitspraak van de commissie als bedoeld in de artikelen 323334 en 35.

·       2Het beroep wordt ingediend bij verzoekschrift binnen een maand nadat de verzoekende partij van de in het eerste lid bedoelde uitspraak op de hoogte is gesteld. De wederpartij wordt van het beroep in kennis gesteld.

·       3De ondernemingskamer behandelt het verzoek met de meeste spoed.

·       4Tegen een uitspraak van de ondernemingskamer kan geen beroep in cassatie worden ingesteld.

·       5In afwijking van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, een geleding onderscheidenlijk een raad als bedoeld in artikel 20 niet in de proceskosten worden veroordeeld.

Artikel 37. Overeenkomstige toepassing

De artikelen 313233343535a en 36 zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de geledingen, de raden, bedoeld in artikel 20, eerste en tweede lid, de raad, bedoeld in artikel 20, vierde lid, voor zover het een aangelegenheid betreft waarvoor de raad is ingesteld en de ondersteuningsplanraad.

Hoofdstuk 6. Overige bepalingen

Artikel 38. Inhouding bekostiging

·       1Indien het bevoegd gezag van een school of een samenwerkingsverband de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften niet nakomt, kan Onze Minister besluiten dat de bekostiging uit de openbare kas geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden of opgeschort.

·       2De bekostiging wordt wederom toegekend, indien Onze Minister blijkt, dat de reden voor de toepassing van het eerste lid is vervallen.

Artikel 39. Wet op de ondernemingsraden

De Wet op de ondernemingsraden is niet van toepassing op de scholen, samenwerkingsverbanden en centrale diensten in de zin van deze wet.

Hoofdstuk 7. Invoerings- en overgangsbepalingen

Artikel 40. Niet langer van toepassing zijn WMO 1992Besluit medezeggenschap onderwijs

·       1De Wet medezeggenschap onderwijs 1992 is niet van toepassing op scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Experimentenwet onderwijs.

·       2Het Besluit medezeggenschap onderwijs blijft van kracht totdat de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 27 tot stand is gekomen. Het geldt tot dat tijdstip als besluit, gebaseerd op artikel 27 van deze wet.

Artikel 41. Overgangsrecht medezeggenschapreglement en medezeggenschapsstatuut

·       1Binnen 4 maanden na de inwerkingtreding van deze wet legt het bevoegd gezag een voorstel van het reglement, bedoeld in artikel 23 en 26, en van het medezeggenschapsstatuut, bedoeld in artikel 21, voor aan de medezeggenschapsraad respectievelijk de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad. De medezeggenschapsraad respectievelijk de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad spreekt zich binnen 4 maanden uit over de voorstellen.

·       2Het medezeggenschapsreglement, bedoeld in de Wet medezeggenschap onderwijs 1992, vervalt met ingang van 1 augustus van het tweede jaar volgend op de datum van inwerkingtreding van deze wet, indien het bevoegd gezag niet met instemming van de medezeggenschapsraad respectievelijk de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad bepaalt dat het geheel of gedeeltelijk op een eerder tijdstip vervalt.

Artikel 42. Geldigheidsduur ontheffing/toestemming op grond van art. 31 WMO 1992

Tot 1 augustus 2009 of zoveel eerder als de mededeling, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 zoals dat luidde op de datum voor de inwerkingtreding van deze wet, zou moeten worden gedaan, gelden een ontheffing en een toestemming die zijn verleend op grond van artikel 31 van de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 als een ontheffing van de voorschriften van deze wet respectievelijk een toestemming voor het kiezen van de leden, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel b, onder 2° en 3° uit de ouders. Artikel 31, tweede lid, van de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 zoals dat luidde op de datum voor de inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op de ontheffing dan wel toestemming.

Artikel 43. Aantreden nieuwe commissie; beslissing aanhangige geschillen

·       1Tot een jaar na de inwerkingtreding van deze wet worden geschillen op grond van deze wet, in afwijking van artikel 30, beslist door de commissies voor geschillen, bedoeld in de Wet medezeggenschap onderwijs 1992.

·       2De op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet nog niet besliste geschillen, door het bevoegd gezag van een school voorgelegd aan een commissie voor geschillen als bedoeld in de Wet medezeggenschap onderwijs 1992, gelden met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet als geschillen die krachtens deze wet aanhangig zijn.

·       3Een jaar na de inwerkingtreding van deze wet dragen de commissies, bedoeld in het eerste lid, de onder hen berustende dossiers terstond over aan de landelijke commissie voor geschillen bedoeld in artikel 30.

Artikel 44. Voorlopige medezeggenschapsraad

·       1Indien aan een school nog geen medezeggenschapsraad is verbonden, wordt aan de school binnen een half jaar een voorlopige medezeggenschapsraad gekozen.

·       2Artikel 3, derde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing op de voorlopige raad.

·       3Het bevoegd gezag legt binnen drie maanden na de verkiezing van de voorlopige raad een medezeggenschapsreglement als voorstel aan deze raad voor. Vervolgens spreekt de voorlopige raad zich, na overleg met het bevoegd gezag, binnen drie maanden over het voorstel uit. De artikelen 23, tweede lid31, aanhef en onderdeel b, en 33, zijn van overeenkomstige toepassing.

·       4Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien aan scholen nog geen gemeenschappelijke medezeggenschapsraad is verbonden.

Artikel 45

[Red: Wijzigt de Experimentenwet onderwijs, de Arbeidstijdenwet en de Wet op de rechterlijke organisatie.]

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 46. Evaluatie

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 47. Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 48. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als «Wet medezeggenschap op scholen».

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ’s-Gravenhage, 30 november 2006

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

,

M. J. A. van der Hoeven

De Minister van Landbouw. Natuur en Voedselkwaliteit

,

C. P. Veerman

Uitgegeven de negentiende december 2006

De Minister van Justitie

E. M. H. Hirsch Ballin

Afdrukke

website: Netcreators