Medezeggenschap op scholen functioneert overwegend goed, maar verdere versterking blijft nodig

Het gaat goed met de medezeggenschap op Nederlandse scholen. Dat blijkt uit het onderzoek Staat van de medezeggenschap funderend onderwijs. Wel zijn er nog grote verschillen tussen het basis-, gespecialiseerd en voortgezet onderwijs. In dit artikel lees je de belangrijkste conclusies.
Het onderzoek
Het onderzoek is een vervolg op een onderzoek dat in 2023 werd uitgevoerd in opdracht van Ouders & Onderwijs, de VOO, LAKS en ROV. Het doel was toen om elke paar jaar de ervaringen in behoeften van (g)mr-leden te onderzoeken. Het vervolgonderzoek is gedaan in opdracht van het Project Versterking Medezeggenschap (VM2).
Alle scholen en schoolbesturen in het basis-, voortgezet en gespecialiseerd onderwijs kregen de uitnodiging met link naar de online vragenlijsten, met het verzoek die door te sturen naar de medezeggenschapsraden en hun leden (zowel personeel als ouders en leerlingen) en gesprekspartners.
In totaal vulden 2227 respondenten de lijsten in, onder wie 1802 leden van een (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad (1035 personeelsleden en 767 ouders of leerlingen) en 425 gesprekspartners van de mr, onder wie (directeur-)bestuurders en schoolleiders. 15 procent van de respondenten is lid of gesprekspartner van een medezeggenschapsraad op bestuursniveau (gmr), de rest van een medezeggenschapsraad op schoolniveau. Het aantal leerlingen dat de lijsten heeft ingevuld, blijft met 70 fors achter. Daarom is niet te zeggen hoe zij hun aandeel in, en werk voor, de medezeggenschapsraad ervaren.
Tijd en belasting
Uit het onderzoek blijkt dat de meeste raadsleden (84 procent) en gesprekspartners (90 procent) vinden dat ze genoeg tijd hebben om hun werkzaamheden uit te voeren. Met name personeelsleden ervaren de werkzaamheden regelmatig als een (te) grote belasting (44 procent). Zij noemen de omvang van wettelijke taken, de formele regels en de administratieve werkzaamheden als belangrijkste oorzaken.
Ook geven de meeste respondenten aan dat ze extra uren kunnen krijgen als hun werk toch meer tijd blijkt te kosten. De meeste raadsleden (63 procent) zijn 0 tot 5 uur per maand bezig met hun medezeggenschapswerk, 25 procent zegt er tussen de 5 en 10 uur mee bezig te zijn. Dat is een vermindering ten opzichte van 2023, toen 27 procent zei meer dan 10 uur per maand aan het medezeggenschapswerk kwijt te zijn.
De meeste (g)mr’s komen 4 tot 7 keer per jaar samen, zo vertellen leden. In 48 procent van de gevallen is dat 6 of 7 keer, in 31 procent 4 of 5. Zelden wordt er minder dan 4 of meer dan 10 keer per jaar vergaderd.
Kwaliteit van vergaderingen
De meeste (g)mr-leden zijn positief over de kwaliteit van de vergaderingen, en dat geldt ook voor de gesprekspartners (94 procent). 91 procent van de leden zegt dat er tijdens de vergaderingen voldoende ruimte is voor ieders inbreng. Dat lijkt meer dan in 2023, maar toen was de vraag net anders gesteld. Toen zei 85 procent dat er voldoende ruimte was om de onderwerpen te bespreken die zij belangrijk vinden.
Ook de relatie tussen de raad en het bevoegd gezag lijkt goed, beide partijen beoordelen die als positief. Leden van medezeggenschapsraden gebruiken als ze het over het bestuur of de schoolleiding hebben termen als toegankelijk (62 procent), samenwerkingsgericht (48 procent) en open (46 procent). Bestuur en schoolleiding gebruiken voor de medezeggenschapsraad kwalificaties als betrokken (83 procent), samenwerkingsgericht (71 procent) en constructief (63 procent). Zowel het bevoegd gezag als de medezeggenschapsraden zelf beoordelen het eigen functioneren en het functioneren van de ander als voldoende tot goed.
Hier valt nog winst te behalen
De meeste winst valt te behalen in het opleiden van leden van de (g)mr. 60 procent van de raadsleden zegt minstens een keer per jaar deel te nemen aan scholing, 36 procent zegt dit nooit te doen. Ook zegt maar 58 procent in het eerste halfjaar van hun lidmaatschap van de (g)mr een cursus over medezeggenschap te hebben gevolgd, 22 procent zegt dat die hen niet is aangeboden. Hoewel het een kleine stijging is ten opzichte van 2023, toen 55 procent aangaf in de eerste zes maanden een basiscursus te hebben gevolgd, is hier zeker voor ouders en leerlingen nog winst te behalen. Van hen zegt maar 51 procent zo’n cursus te hebben gedaan, tegenover 64 procent van de personeelsleden.
Een ander punt waarop het beter kan, is het gebrek aan ondersteuning voor informatie en advies, en ondersteuning bij processen rond medezeggenschap, ontwikkeling en professionalisering. Die wordt voornamelijk gemist door gmr-leden en leden van overige raden.
Dat een aanzienlijk deel van de mr-leden geen scholing heeft gevolgd en een gebrek aan ondersteuning ervaart, is jammer. In wetgeving, beleid en eerder onderzoek worden scholing, deskundigheidsbevordering en ondersteuning gezien als belangrijke randvoorwaarde voor een goed functionerende medezeggenschap. Vooral voor nieuwe leden, ouders en leerlingen liggen hier daarom nog kansen.