Ondernemingskamer verklaart het beroep gegrond tegen een uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS, in een geschil over de verplichting van het bevoegd gezag om een lid van de Medezeggenschapsraad (MR) niet te benadelen.

Wat was de situatie?

Op 10 maart 2025 deed de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS (LCG WMS) uitspraak in een nalevingsgeschil over de verplichting die het bevoegd gezag heeft, om er voor te zorgen dat een MR-lid niet uit hoofde van zijn lidmaatschap wordt benadeeld in zijn positie tot de school (zaaknummer 93425). De MR vindt dat de bestuurder een lid van de Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad (GMR), die ook voorzitter van de MR was, onder druk heeft gezet en daarmee in strijd met artikel 3 lid 12 Wet medezeggenschap op scholen (Wms) heeft gehandeld. De MR heeft hierover een nalevingsgeschil aan de LCG WMS voorgelegd.

Na een vergadering van de GMR heeft de bestuurder een (G)MR-lid aangesproken op zijn gedrag en hem geadviseerd om zijn medezeggenschapswerkzaamheden neer te leggen. Dit advies heeft de bestuurder gegeven nadat hij eerder een melding van twee GMR-leden had gekregen over de houding en het handelen van het betreffende (G)MR-lid. De MR vindt dat de bestuurder een individueel (G)MR-lid niet kan aanspreken. De bestuurder had de (G)MR in het geheel dienen aan te spreken. Volgens de MR heeft de bestuurder artikel 3 lid 12 Wms geschonden.

Daarnaast diende de MR een geschil in over het feit dat het bevoegd gezag weigerde de kosten voor een geraadpleegde deskundige te vergoeden.

Uitspraak van de Commissie

Op grond van artikel 3 lid 12 Wms moet het bevoegd gezag ervoor zorgen dat leden van de medezeggenschapsraad niet vanwege hun lidmaatschap van de MR in hun positie met betrekking tot de school worden benadeeld. Deze verplichting geldt ten opzichte van individuele leden. De LCG WMS overwoog dat de MR een geschil kan voorleggen, indien het bevoegd gezag een verplichting in de Wms of onderwijswet tegenover de MR niet nakomt. De MR kon naar het oordeel van de LCG WMS geen geschil voorleggen als het gaat om een verplichting tegenover een individu, zoals in onderhavig geval. Het individuele lid kan zelf een geschil aan een daartoe bevoegde commissie of rechter voorleggen. Nu geen sprake is van het niet nakomen van een verplichting van bevoegd gezag tegenover de MR, is de MR volgens de LCG WMS niet-ontvankelijk.

De Commissie hoefde geen uitspraak meer te doen over de vergoeding van de kosten voor de deskundige, omdat de bestuurder deze inmiddels al had vergoed.

Oordeel Ondernemingskamer

Tegen de uitspraak van de LCG WMS is beroep ingesteld bij de Ondernemingskamer.

De Ondernemingskamer verklaarde op 15 juli 2025 het beroep  gegrond. De Ondernemingskamer overwoog dat in 1981 in artikel 5 lid 9 van de Wet medezeggenschap onderwijs (een voorloper van de WMS) een bepaling is opgenomen die vergelijkbaar is met het huidige artikel 3 lid 12 Wms. Dat artikel was, net als het bepaalde in artikel 3 lid 12 WMS, afgeleid van artikel 21 Wet op de ondernemingsraden (WOR). Ter bescherming van de medezeggenschap is in artikel 21 WOR bepaald dat zowel de ondernemingsraad, als iedere in de onderneming werkzame persoon die (kandidaat) lid is of was van de ondernemingsraad, de rechter kan verzoeken te bepalen dat de ondernemer er zorg voor dient te dragen dat leden van de ondernemingsraad niet uit hoofde van hun lidmaatschap worden benadeeld in hun positie in de onderneming. Artikel 3 lid 12 Wms beoogt op gelijke wijze aan de leden van de MR bescherming te bieden, zodat zij onafhankelijk van het bevoegd gezag kunnen optreden en de MR aldus daadwerkelijk invulling kan geven aan zijn taak als tegenmacht van het bevoegd gezag. Volgens de Ondernemingskamer moet tegen deze achtergrond er van worden uitgegaan dat artikel 3 lid 12 WMS een verplichting inhoudt die geldt jegens zowel de individuele leden van de MR als jegens de MR als geheel. Op grond van artikel 35 lid 1 WMS kan de MR aan de commissie een geschil voorleggen inzake naleving door het bevoegd gezag van de bij of krachtens de WMS geldende verplichtingen jegens de MR. De MR is volgens de Ondernemingskamer in zoverre ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. De Ondernemingskamer heeft het verzoek vervolgens alsnog inhoudelijk beoordeeld.

De Ondernemingskamer oordeelt dat de bestuurder het (G)MR-lid wel mocht aanspreken op diens gedrag, omdat dit behoort tot de verantwoordelijkheid van de bestuurder. Volgens de Ondernemingskamer mocht de bestuurder echter niet het advies geven om te stoppen als (G)MR-lid. De leden van de (G)MR moeten volgens de Ondernemingskamer onafhankelijk van het bevoegd gezag kunnen functioneren en die onafhankelijkheid komt in het gedrang als de bestuurder advies geeft over de samenstelling van de (G)MR. De bestuurder had zich daarom van het geven van dit advies moeten onthouden. Door dat niet te doen heeft het bevoegd gezag er onvoldoende zorg voor gedragen, dat de leden van de (G)MR niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de school.

Vond u deze informatie nuttig?

Deze site wordt beschermd door reCAPTCHA en de Privacyverklaring en de Servicevoorwaarden van Google zijn van toepassing.